We gebruiken cookies om u een optimale gebruikservaring aan te bieden. OK

Blijf op de hoogte en schrijf je in op onze nieuwsbrief.

Je bent met success ingeschreven op de nieuwsbrief.

08 mei '16 De meeste banken zijn gedoemd tot een relatief rendement. Waarom geen nominaal rendement?

Waarom lopen fondsenbeheerders van banken zo braaf in de pas als het er op aankomt het kapitaal van hun klanten zo goed mogelijk te laten renderen? Waarom kiezen zij traditioneel voor een aanpak die alleen relatief rendement oplevert en die gemakshalve aanschurkt tegen de referentie-index. Waarom streven ze geen nominaal rendement na?

Maar wat is nu een ‘relatief rendement’? Het is het rendement dat een beleggingsportefeuille heeft behaald in vergelijking met een referentie-index (benchmark of marktgemiddelde).  Een relatief rendement staat in contrast met een ‘nominaal’ of ‘absoluut’ rendement. Dit laatste is het effectieve geld dat met een portefeuille verdiend wordt of verloren gaat.  Een eenvoudig voorbeeld? Als een portefeuille start tegen een waarde 100 en de portefeuille staat een jaar later aan een waarde 95 terwijl de referentie-index –zoals de Bel-20 of de MSCI World- over die periode daalde met 10%, dan zal de portefeuille relatief gezien een positief rendement gehaald hebben (-5% tegenover -10% voor de index) terwijl er nominaal gezien geld verloren werd.

Wij praten dus liever over een ‘nominaal’ rendement! Het lijkt ons vanzelfsprekend dat een portefeuillebeheerder minstens een positief nominaal rendement nastreeft. Daarboven zou het rendement van een actief beheerde portefeuille ook relatief gezien boven de referentie-index moeten uitstijgen. Indien dit niet het geval is, waarom nog een beheerloon betalen? En toch! Bij een vergelijking blijkt dat de meeste beheerders van grote financiële instellingen er niet in slagen beter te presteren dan een index. Belangrijker nog, velen streven in hun investeringsproces niet eens een positief nominaal rendement na! Het enige wat telt, is niet (veel) slechter te doen dan de referentie-index…

Redenen hiervoor?

  • grote financiële instellingen zijn gericht op volumewerk, dat maakt een specifiek op maatwerk gericht investeringsproces nu éénmaal moeilijk.
  • de toenemende regulering maakt dat het een bank beter uitkomt in de pas te lopen van het marktgemiddelde.
  • grote financiële instellingen wensen niet af te wijken van het gemiddelde, anders lopen ze het risico van korte termijn reputatieschade.

Diegene die zijn nek wenst uit te steken en wel streeft naar nominaal rendement krijgt vroeg of laat de wind van voor. Dit schrikbeeld zorgt ervoor dat de meeste fondsenbeheerders liever in de pas lopen en aldus hun rendement laten samenvallen met het marktgemiddelde. De belangrijke econoom en succesvol investeerder John M. Keynes verwoordde het treffend in zijn beroemde zin “Wordly wisdom says that it is better to fail conventionally than to succeed unconventionally”.  Vrij vertaald: het is beter om verliezen in portefeuilles te hebben als ‘iedereen’ (lees: de index) verliest, dan om op een specifieke manier (lees: met een bepaald investeringsproces) nominale winsten te maken. Geld verliezen op bankaandelen in 2008 is in die zin ‘niet erg’ want ‘iedereen kwam dit tegen’ en ‘niemand kon dit weten’.  Geld verdienen door te investeren in een niet bekende onderneming of in een volledig ondergewaardeerde onderneming die uit de gratie is gevallen, wordt dan weer snel afgedaan als ‘puur geluk’.  Het verschil tussen nominaal verlies en nominale winst is echter wat uiteindelijk de waarde van de portefeuille bepaalt, wat ook de index mag gedaan hebben.

Algemeen vermogensbeheer is typisch het resultaat van het zich voegen naar de  consensus, de voorspellingen van de economen waaraan de beleggingsmanager zich moeilijk kan van onttrekken en de dwang om op korte termijn toch zeker niet slechter te doen -maar ook niet noodzakelijk beter- dan de almachtige ‘benchmark’.

De experten vermogensbeheer bij TRUNCUS trachten in hun investeringsbeslissingen alvast niet te kijken naar algemene economische voorspellingen, maar leggen de focus op fundamentele research. Dit koppelen ze  dan aan een gedisciplineerde asset allocatie en een lange termijn visie.

Nominaal rendement op termijn is uiteindelijk wat een portefeuille vooruit helpt, en niets anders!

Door Pieter Van Neste

Pieter Van Neste heeft VGD Family Office, nu Truncus, eind 2001 opgestart en werd medezaakvoerder en partner in 2008. Pieter was voorheen werkzaam voor Bacob Bank – Artesia Services, als administrator van beleggingsfondsen en aansluitend als IT coördinator voor de afdeling beleggingsfondsen. Pieter is Bachelor in Bedrijfskunde met specialisatie in Accountancy en Fiscaliteit en haalde een Master in Gouvernementele Europese instanties (Hogeschool Gent). Hij is gehuwd en heeft 2 zonen. Pieter is tevens Sommelier-Conseil met een diploma behaald aan de Université du Vin in Suze La Rousse.